Herinnering aan mama

Mijn moeder was mooi en lief. Ze was ook zacht en kon heel mooi zingen. Ze zong me altijd in slaap; ‘s avonds als het bedtijd was, overdag voor mijn middagslaapje en ‘s nachts als ik wakker was geworden. Mijn eerste herinnering heb ik aan haar. Niet aan mijn moeder die me in slaap zong, dat heeft mijn broer Bart me verteld. Nee, mijn eerste herinnering is dat mijn mooie lieve mama in bed lag te slapen.

Ik wilde haar wakker maken en riep haar: ‘Mama, mama!’ Maar mijn mooie lieve mama reageerde niet. Mijn eerste herinnering is dat ik harder begon te roepen: ‘Mama, mama!’ maar ze reageerde nog steeds niet. Ik begon aan haar schouder te schudden om haar wakker te maken, maar mijn mooie lieve mama wilde maar niet wakker worden. Ik begon nog harder te roepen en trok haar arm aan haar hand onder de deken vandaan, maar ze verroerde zich niet en bleef doodstil liggen. Ik begon te huilen en te roepen, steeds harder en harder. Net zo lang en net zo hard totdat de buurman met mannen in uniform binnenkwamen en me weghaalden. Weg bij mijn mooie lieve mama.

‘Oh nee, de vliering staat óók nog helemaal vol!’, zucht ik, terwijl ik mijn hoofd door het gat van het plafond op de zolder steek. Bart klimt naast me de trap op en werpt een blik op de overvolle vliering: ‘Wat een troep! We gooien het allemaal weg hoor. We hebben er dertig jaar niet naar omgekeken, dus zal het wel niet veel bijzonders zijn. Het past trouwens toch niet in pa’s nieuwe flatje.’ Dozen met boeken en kleding worden naar beneden gehaald, ergens halverwege ligt nog een tent, waar de muizen gaten in hebben gegeten. Er ligt een oude schommelzwaan, daar zullen mijn broer en ik vast nog in geschommeld hebben, een kinderbedje, een oude lamp, een glas-in-lood raam, een oude Chanel tas: het kan allemaal weg. Behalve één schoenendoos. Deze valt namelijk op: hij staat helemaal achterin, half verscholen onder een oud laken. De doos is dichtgeplakt met breed bruin plakband en op de zijkant staat in hoofdletters geschreven: PERSOONLIJK.

Voorzichtig peuter ik het plakband los en haal ik de deksel van de doos. Er liggen een brief, drie foto’s en een ring in. Ik neem de ring tussen mijn vingers en zie aan de binnenkant de namen van mijn ouders en een datum gegrafeerd staan: 29-06-1953. Ik leg de ring terug in de doos en kijk naar de foto’s. Op alle drie de foto’s staat mijn moeder. Eéntje is er gescheurd en gekreukeld en met plakband aan elkaar geplakt is. Het is een huwelijksfoto van mijn ouders. Voorzichtig haal ik de brief uit de envelop. Het begint met ‘Lieve Wim.’ Ik draai de brief om en lees: ‘Hopelijk zie jij later ook in dat het beter is zo. Liefs, Maria’. Een brief van mijn moeder aan mijn vader. Wat is er beter zo? Snel draai ik de brief weer om en begin hem vliegensvlug te lezen. Woorden zoals ‘de jongens, liefde, ruzies, iemand anders, nieuw begin, beter voor iedereen’ schieten aan mijn ogen voorbij. Ik lees de hele brief nog een keer, maar nu langzamer. Mijn moeder wilde mijn vader verlaten! Ik kijk naar de datum boven de brief: 3 mei 1961. Mijn moeder stief op 8 mei 1961.

Met de doos in een tas bel ik, voordat ik de sleutel in het slot stop, aan bij mijn vaders nieuwe appartement. Bart wilde niet dat ik pa hiermee zou confronteren. ‘De verhuizing is voor hem al verwarrend genoeg, dus laten we geen oude wonden openhalen’ had hij gezegd. Ik was het er niet mee eens. Pa heeft nooit veel willen vertellen over mama en nu heb ik vragen waar ik antwoord op wil, voordat het te laat is.

Ik vind pa in de woonkamer waar hij net een doos servies aan het leegruimen is.
‘Dag pa,’ zeg ik.
‘Zo jongen,’ antwoordt hij.
Ik haal een doos van de eettafel en zet deze op de grond. Op de leeggekomen plek zet ik de meegebrachte schoenendoos. ‘Ken je deze nog?’
Het kopje wat pa net uit de doos heeft gehaald blijft even zweven tussen de doos en de kast. ‘Waarom heb je nooit verteld dat mama bij je weg wilde?’
Pa zet het kopje in de kast en draait het oortje precies zo dat het parallel aan de andere oortjes staat.
‘Pa?’
’Dat was niet belangrijk,’ gromt hij.
‘Ik vind het anders behoorlijk belangrijk!’ snauw ik.
Pa pakt het volgende kopje uit de doos en zet hem recht voor het vorige kopje, ook met het oortje naar rechts.

‘Pa!’ roep ik enigszins geërgerd, ‘Ze schreef dat ze bij je weg wilde en vijf dagen later was ze dood!’ ’Dat was haar eigen schuld’ mompelt hij.

‘Wat zeg je?’ Ik kan mijn oren niet geloven. ‘Haar eigen schuld dat ze doodging? Hoezo haar eigen schuld?’

’Dan had ze maar niet weg willen gaan’ zegt pa, terwijl hij het volgende kopje in de kast zet.

‘Niet weg willen gaan?’ schreeuw ik. ‘Pa,’ fluister ik met schorre stem ‘Wou je soms zeggen dat jij, heb jij…, wist jij…?’ Ik kan mijn zin niet afmaken. ‘Heb jij… Verdomme pa, ik was drie! Heb jij me mijn moeder afgenomen alleen omdat ze weg wilde?’

’Als ik haar niet mocht hebben, dan mocht niemand haar hebben’ zegt pa zacht terwijl hij het laatste kopje in de kast zet en het kastdeurtje dichtschuift.

‘Maar waarom heb je in godsnaam die brief nog bewaard?’ vraag ik vol ongeloof.

‘Zodat ik mezelf eraan kan herinneren dat zíj het was die bij míj weg wilde gaan en niet ík bij háár!’ snauwt nu ook mijn vader.

Totaal verlamd blijf ik staan. Ik denk aan mijn moeder, hoe ze daar lag toen ik haar vond, mijn vader die niet huilde toen ze dood was, de moeizame relatie met mijn vader en de verscheurde – en weer aan elkaar geplakte trouwfoto. Zonder een woord te zeggen verlaat ik het appartement en smijt de deur met alle kracht die ik heb dicht.

‘En,’ vraagt Bart, ‘hoe reageerde hij?’ ‘Ik heb het er niet met hem over gehad. Je had gelijk; hij heeft al genoeg aan zijn hoofd met die verhuizing’ antwoord ik. ‘Ik heb trouwens extra pillen voor hem gehaald. Hier,’ ik schuif het pillendoosje naar hem toe ‘driemaal daags vijf pillen. We moeten de dosering wat verhogen, daar zou hij rustiger van worden en het helpt hem door de verhuizing heen.’ Bart stopt de pillen in zijn zak: ‘Dat zal hem goed doen.’

Volg en like me: